Taşpınar wil verhaal dat we onszelf willen vertellen

Birsen Taspinar. © Elisabeth Verwaest
Birsen Taspinar. © Elisabeth Verwaest

Birsen Taşpınar ziet de verhalen in haar debuutroman ‘Moeders van de stilte’ als diamanten. “Het gaat om waargebeurde verhalen van drie vrouwen die hun levensverhaal aan mij in bruikleen gaven waarna ik als een diamantslijper eerst de tijd nam om de verhalen afgewerkt terug te geven.” Dat was voor Taşpınar zo belangrijk dat ze aanvankelijk niemand die verhalen liet nalezen.

Die drie vrouwen zijn Pelin, Elif en Hülya. Twee van hen zijn cliënten van psychologe Taşpınar die in België wonen en een leven hebben dat beïnvloed is door migratie uit Turkije.

‘Moeders van de stilte’ gaat over Pelin die haar echtgenoot verliest en als weduwe tracht te overleven, over Elif die de man die ze volgde naar België ziet veranderen in een hardvochtige en voor haar onbekende persoon, en over Hülya die probeert onafhankelijk te worden van haar schoonmoeder terwijl ze leeft met de angst voor kanker.

Zowel Pelin, Elif als Hulya hadden de wens om ooit een boek te schrijven of te laten schrijven over hun strijd. “Nu staat een deel van hun leven via mij in een boek. Toeval bestaat hier dus niet”, zegt Taspinar tijdens een interview voor dit magazine.

Waarom was je zo voorzichtig met het laten nalezen van je boek?

“Ik dacht dat als er een ander oog op kwam, dat misschien voor een kras zou zorgen op die diamanten. Het waren zeer kwetsbare verhalen. Elk oog van elke persoon heeft een bepaalde bril. Je ziet iets, je leest iets en je zit meteen in een eigen discours.

Ik wou geen ander discours dan dat over de emoties van de vrouwen zelf horen. Ik wou niets van maatschappelijke conclusies erover horen en dat krijg je rap bij verhalen over migratie en vrouwen uit de Turkse gemeenschap. Pas zeven maanden nadat ik was begonnen te schrijven liet ik het aan iemand lezen.”

Waardoor ging je eigenlijk dit boek schrijven?

“Een uitgever zei: ‘We weten nog altijd niets over jullie’. Toen dacht ik dat ik misschien zelf het heft in handen moest nemen om op een manier over onszelf te schrijven die beter weergeeft hoe onze levens zijn, zonder in stereotype getuigenissen te vervallen. Dus zonder alleen een slachtofferverhaal of alleen maar met boosheid. Eigenlijk gaat het om het verhaal dat we aan onszelf willen vertellen. Dat is wat ik wil.”

Cover van boek Moeders van de stilte.

Cover van boek Moeders van de stilte.

Het feit dat je in het Nederlands schreef zorgde misschien ook voor een andere manier van vertellen?

“Het aspect taal is belangrijk. Ik noem mezelf een tweetalige schrijver. De gesprekken met de drie vrouwen waren in Turks, het veldwerk was in het Turks. En in mijn hoofd speelde het zich ook af in het Turks.

Van het moment dat ik in het Nederlands begon te schrijven was ik bang dat de diamant weer gekrast ging worden door perspectieven die in het Nederlands aanwezig zijn, en dat ik die perspectieven door de taal zou opdringen. Nederlands is de taal van de hegemonie, taal van het land waar de vrouwen ‘anders’ zijn.

Om dicht bij hun verhaal te blijven moest ik het eigenlijk in het Turks schrijven. Dat was ook mijn plan tot ik een uitgever in België tegenkwam die zei dat België deze verhalen ook nodig had. Hier heb ik lang over moeten nadenken.”

Gaf het Nederlands dan andere betekenissen aan jouw verhalen?

“Op het moment van een vertaling verlies je een aantal betekenissen. Een taal is een wereld en een samenleving. Deze samenleving spreekt in een bepaalde taal over een bepaalde groep. Het woord hoofddoek is in de ene taal veel meer beladen dan in een andere taal. Daardoor heb ik dat woord bijna niet gebruikt.

Maar de vertaling had ergens wel een voordeel, want het liet me beseffen hoe moeilijk het is voor die vrouwen om constant te denken in het Turks en om dan te moeten functioneren in een andere taal. Zij moeten ook de hele tijd berekeningen maken over welke betekenis er hoort bij bepaalde woorden. Daardoor zijn er soms communicatiestoornissen.”

Door poëzie vermeed ik dat mensen de verhalen gingen lezen met enkel ‘ocharme die vrouwen’ als reactie.

Zorgde het zoeken naar de juiste woorden en vertaling soms voor moeilijkheden?

“Het heeft tijd nodig omdat je wat moet reflecteren om nieuwe dimensies te zien door een andere taal. Bij het verhaal van Pelin duurde het schrijven het langst. Het was een typisch tweetalig verhaal omdat ze van de tweede generatie is: met haar kinderen spreekt ze Nederlands en met haar man Turks.

Op bepaald moment vond ik geen woord voor een gevoel dat ze had. Ik zocht naar een woord voor het feit dat voor haar familieleden geen rechtvaardigheid werd geëist door de samenleving. Daar is woord voor in Turks: sahiplenmek. Dat betekent zich iets toe-eigenen. Het is niet individueel, maar het gaat meer over een sociale verantwoordelijkheid. Ik merkte dat ik daar voor een muur stond. Dat gaf nog meer dat verdriet van Pelin weer omdat ik geen woord voor haar frustratie vond.”

Dus kunnen ook die vrouwen soms onterecht onzeker zijn over hun Nederlands.

“Ja en als je codes moet gaan uitleggen aan een psycholoog vraagt dat een bepaald reflectievermogen dat niet iedereen heeft. Niet iedereen kan zijn verhaal doen en er meteen ook een antropologische kijk op hebben en dat zo uitleggen aan een hulpverlener. Daarom is er de angst voor hulpverleners en komen vrouwen als Pelin vaak bij mij terecht.”

Je schrijfstijl is zeer poëtisch. Was dat omdat jij gewoon liefst zo schrijft of omdat het beter was voor de leefwereld van de personages?

“Het Turks is sowieso poëtischer en emotioneler als taal. Het is een deel van mij omdat mijn moedertaal Turks is. Maar poëzie haalt het diepe en het menselijke naar boven. Het haalt de essentie uit de dingen. Poëzie verbindt mensen doordat het op zoek gaat naar schoonheid.”

Als je met dit boek de emoties in een context van migratie wou uitdrukken dan is poëzie sowieso de beste manier.

“Het gaat inderdaad om veel menselijk leed en door poëzie vermeed ik dat mensen de verhalen gingen lezen met enkel ‘ocharme die vrouwen’ als reactie. Poëzie was een van de wapens om de kracht van de vrouwen naar boven te laten komen en daar gaat het mij het meest om.

Bij Pelin gebruikte ik het veel meer omdat zij een veel zachtere persoon is terwijl Elif zeer rationeel en strijdlustiger is. Elif is ook heel religieus en vol energie. Haar persoonlijkheid moest recht overeind blijven en dus paste ik op om dat niet met te veel poëtische taal te laten omvallen. Hülya zat er tussen in met de rationaliteit en de zachtheid van een bergvrouw. Ik bleef dus telkens dicht bij de persoonlijkheid van elke vrouw.”

Reguliere kranten schreven geen enkele recensie over mijn boek. Mijn boek had voor deze media geen literaire waarde.

Was het voor jou behalve als schrijver ook als psychologe belangrijk om op de sterktes van de vrouwen te letten?

“Wat ik deed was de scheurtjes in de verhalen samen met die vrouwen naaien en dan aan hen teruggeven. Ik let altijd op de sterktes van het verhaal, sterktes van de vrouwen en dan kijk ik naar hetgeen waarmee zij verder kunnen en dat geef ik als eerste terug. Want als je direct de problemen teruggeeft, door bijvoorbeeld te benadrukken dat de vrouwen niet assertief genoeg zijn, dan geef je een verhaal dat ze wellicht al duizendmaal hoorden.

Vrouwen die mishandeld werden hoorden al dikwijls dat ze beter hun best moeten doen om hun man te verlaten. Maar eerst moet het zelfbeeld van een persoon verbeteren. Daarnaast vind ik niet dat ik mijn cliënten op mijn rug moet dragen. Heel vaak wordt van Turkse vrouwen een heel afhankelijke indruk gegeven. Hulpverleners denken vaak dat ze problemen van Turkse vrouwen moeten oplossen.

Een hulpverlener vertelde me ooit dat een Turkse vrouw tegen haar zei ‘eerst komt God, daarna kom jij’. Die hulpverlener dacht dat die vrouw verwachtte dat zij alles voor haar deed terwijl ik in diezelfde woorden iets heel anders hoorde. Zie je hoe sterk we in schema’s vastzitten? Ik kon met die woorden die vrouw nog zien als een onafhankelijke vrouw.”

Wellicht zag je dat verschil in schema’s ook in hoe over jouw boek bericht werd?

“Ja want mijn boek werd gebruikt om te tonen dat migrantenvrouwen redding nodig hebben van het vrije Westen. De reguliere kranten schreven geen enkele recensie over mijn boek. Een van de voorwaarden van die media om wel iets te schrijven was om samen met een van de drie hoofdpersonages een interview te geven. Maar als die vrouwen bij de media hun getuigenis wilden doen dan had ik dit boek niet geschreven.

Ik beloofde die vrouwen om geen media op hen af te sturen. Helaas was het voorstel met die voorwaarde zeer agressief. Het was dat of niets. Sinds wanneer wordt er bij literaire werken een getuigenis gebruikt? Dit was weer een typische manier van hoe omgegaan wordt met verhalen van vrouwen in een Turkse gemeenschap. Mijn boek had voor deze media geen literaire waarde.”

Wat maakt jou het meest trots op dit boek?

“Dat het eindelijk los komt van het defensieve en onze levens gewoon vertelt zoals ze zijn, zonder rond de pot te draaien bij problemen, zonder het stereotiepe verhaal van weerloze slachtoffers en zonder al hetgeen wat ons altijd moe maakt.

Mijn boek is een kritisch boek over zowel de Vlaamse samenleving als over de Turkse gemeenschap. Witte Belgen dachten dat het enkel om discriminatie ging. Belgen van Turkse afkomst dachten dat het enkel over hun vuile was ging. Na het lezen geven ze allebei toe dat er problemen zijn en stellen ze dingen in vraag.”

Comments

Geef een reactie