Brief aan mijn vader

Brief-aan-mijn-vader

Salam beste vader,

Zou ik jouw hand kussen mocht je nog steeds in leven zijn? Ik heb nog nooit mijn moeders hand gekust, hoewel het paradijs onder haar voeten ligt. Papa, laten we de smalltalk achterwege laten, daar ben ik nu eenmaal nooit goed in geweest. Smalltalk voer je met een vreemde, nietwaar? En ik probeer het gevoel te onderdrukken dat je een vreemde voor me bent.  Je bent vroeg vertrokken, te vroeg. Jouw dood heeft me getoond dat mannen beesten kunnen zijn, dat in mijn familie roofdieren zaten die aasden op hetgeen jij achterliet.

Jij was de ruggegraat van de familie. De man. Hij die beslissingen nam. De voortrekker. Hoe vaak heb ik niet moeten aanhoren dat sinds jij er niet meer was – er niets meer was.

Dus gold de wet van de jungle.

Voor mij echter was het vooral pijnlijk om te beseffen hoe groot de kloof is geworden tussen jouw afkomst en jeugd en de leefwereld van mijn tienjarig neefje.

Het huis dat jij in Marokko bouwde, het laatste huis dat in ons dorpje werd gebouwd, symboliseert jouw lot, vader. Ik was er een kleine maand geleden. Ik heb gezien hoe jouw lemen huis –ons eerste huis- werd gebruikt door een man die mij vreemd was. Hij liet er wat schapen in de ruime binnenkoer vertoeven. De boomstronken die dienden als fundering voor het dak waren in enkele kamers weggenomen, zodat het lijkt of er geen dak is. Onze oudste tante, jouw grote zus, zou dat hebben gedaan. Dat ons huis zoveel onrecht werd aangedaan vond ik het allerergste. Twee jaar geleden besefte ik voor het eerst hoe waardevol dat huis wel niet was toen ik jouw tienjarige kleinzoon voor het eerst naar dat huis nam. Het was zijn derde keer in Marokko en hij wist niets over zijn afkomst of opa. Toen ik hem voorstelde om hem mee te nemen naar de plek waar jij opgroeide  sprong hij recht en wou hij die plek dolgraag zien. Het was ramadan en de thermometer in mijn auto gaf 50 graden aan. We reden langs de hobbelige zandweg en eenmaal daar was het voor hem een hele openbaring. Voor mij echter was het vooral pijnlijk om te beseffen hoe groot de kloof is geworden tussen jouw afkomst en jeugd en de leefwereld van mijn tienjarig neefje. Dat lemen huisje is alles behalve een krot, het is een eenzame afgelegen getuigenis van jou. Het is het enige dat ik kan tonen als mijn kinderen ooit vragen wie hun opa was en waar hij vandaan kwam.

Ergens wil ik je niet lastigvallen over al dat misbruik, hypocrisie en verraad. Je bent er niet meer en het verleden moeten we laten rusten, althans, dat zegt mijn moeder mij.

Maar daar ben ik het niet mee eens vader. Ik ben meer geneigd om het bestaan van het verleden in vraag te stellen. Het verleden is niet dood, het is zelfs niet eens verleden. Dus bestaat het nu nog en daardoor kan ik het niet zomaar loslaten. Het overschaduwt vele facetten uit mijn leven en het bepaalt nog steeds wie ik nu ben – en wie ik niet ben. Je zou eens moeten weten wat voor een leegte ik voel als ik aan al de woorden denk in ons Tamazight die ik niet ken. Hoe zeg je veulen in plaats van paard? Kalf in plaats koe? Hoefijzer? En hoe duid ik al de fauna en flora aan? Waarvoor dienen al die kruiden die groeien? Van wie zijn al die gronden waar ik langsrijd als ik naar ons dorp rijd? Waar zijn al de waterputten en bronnen? Wat zijn de namen van de clans binnen onze stam? Wie zijn de talrijke ‘Amrs, ‘Allals, M’hands, Fadma’s en Aisha’s? Het zijn allemaal vragen die ik me stel en waar ik geen makkelijk antwoord op vinden kan. En dan nog alle verhalen, roddels, intriges die onze streek rijk is.  Leemten die nooit gevuld zullen worden. Het zijn allemaal puzzelstukken van een onvoltooid verhaal, van een onvoltooide identiteit en persoonlijkheid. Door jouw komst naar België hadden we meer, maar ook minder.

Op die foto staarde je streng voor je uit, je baard was lang, je ogen vastberaden, maar je zag er ook zwak en dun uit. De kanker had toen al een zware tol van je geeist.

Een kleine maand geleden was ik dus in Marokko. Ik had onze 7ala madaniyya mee, ons livret de famille, om wat administratieve zaken te regelen. Eenmaal in België overhandigde ik het weer aan mijn moeder die het ostentatief teruglegde in dat rode doosje waarin alle belangrijke documenten van Marokko liggen.

Wat had ik dat doosje lang niet gezien! Uit nieuwsgierigheid doorzocht ik dat doosje. Nu ik erover denk is het wel zeer vreemd dat ik dat doosje associeer met het verleden. Alsof het verleden in een doosje kan worden gestopt en bij gelegenheden bovengehaald. Maar desondanks zocht ik vol nostalgie naar een verleden dat ik helemaal niet heb gekend, en zochten mijn ogen de jouwe op in jouw gigantisch grote oude gele identiteitskaart voor Vreemdelingen. Op die foto staarde je streng voor je uit, je baard was lang, je ogen vastberaden, maar je zag er ook zwak en dun uit. De kanker had toen al een zware tol van je geeist. Maar er zat nog vechtlust in jouw ogen. Je zou je niet zomaar laten doen.

Ik vond ook een oud stembiljet. Mohamed C. deed blijkbaar mee aan de verkiezingen in 1989. Op welke partij zou je hebben gestemd?

Maar daarnaast vond ik een kaart van de vakbond die mij om verschillende reden schokte. Je zag er anders uit, vader.  Je zag er jong, levendig,  ja, zelfs knap uit. Je was glad geschoren en ik zag een trendy hemdje. Die foto was getrokken in 1979. Het jaar dat mijn moeder samen met zijn 3 zussen en broer uit Marokko overkwamen. Dat was ook het jaar van de politieke islam, het jaar van de revolutie in Iran, het jaar van Khomeini. De vader die ik kende had altijd een baard en droeg een jellaba. Ben jij dan veranderd na 1979, vader?

Maar wat mij nog meer shockeerde was dat jij aangesloten was bij niet zomaar een vakbond, maar bij de Amicales. Dat is de werkgeversvereniging die de Marokkanen in Europa bespionneerde. Het  fungeerde als een afdeling van het Marokkaanse consulaat. Papa, hoe kon je daarmee verbonden zijn?

Ik heb andere verhalen over jou gehoord, die deels tragisch waren maar wezen op een rebelse man.  Jij, dezelfde persoon als op de foto, weigerde in Marokko een portret van de koning Hassan II te kopen. Hij wou de grootste moskee van Afrika bouwen -alsof dat een prioriteit hoort te zijn- met de bijdrage van elke Marokkaan. Maar jij vader, jij weigerde een foto te kopen van de Qaid (lokale functionaris) die je eigenlijk dwong om er een te kopen. Jij werd gearresteerd en je spendeerde een hele voormiddag in de gevangenis. Wat je niet weet is dat een neef toen met de commissaris sprak en hem omkocht om jou vrij te laten. Hij vroeg hem ook expliciet om dat niet te vertellen.  Jij kwam dus diezelfde dag nog vrij in de waan dat je een rebelse daad beging en daarmee nog mee bent weggekomen ook.

Was dat vader 2.0? Radicaliseerde je naarmate je ouder werd?

We weten toch allemaal waarom de mensen uit onze streek zo makkelijk een reispas kregen om Marokko te verlaten. Omdat we naar Marokkaanse normen rebels waren. Noch de Spaanse kolonisator, noch de Marokkaanse staat kreeg ons makkelijk klein. Dus was de koning jullie liever kwijt dan rijk. In Europa konden jullie hem weinig kwaad doen. En net daar, in het veilige Europa liet je je initimideren. Het gaat er bij mij niet in.

Maar ik heb niet in jullie omstandigheden moeten leven, dus misschien heb ik makkelijk praat, om het op z’n plats te zeggen. Maar ik bewonder jullie niet. Ik heb begrip voor jullie keuze maar ik kan niet meedoen aan die idolatrie die nu plaatsvind in België. Ik kan niet mee doen, en ik ga ook niet mee doen aan het koor dat jullie onvoorwaardelijk lof toekent en te pas en te onpas prijst.

Besefte je dat je ook uitgebuit werd? Dat je werd gediscrimineerd en bewust dom werd gehouden over jouw rechten. Dat je onderbetaald was?

Men vraagt me trots te zijn op jou. Het is bijna groepsdruk om alles wat jij deed te verheerlijken.  50 jaar nadat jullie braaf in de rij stonden om gekeurd te worden als vee zijn jullie ware helden geworden. Wat kan het tij toch keren vader. Net zoals toen worden jullie weer gebruikt om een verhaal te creeren. Vroeger was dat verhaal de heropbouw van Europa. Nu is het verhaal the whitewashing of its crimes.

Jij –en bij uitbreiding jouw hele generatie, waren mensen van vlees en bloed. Jullie waren brave gehoorzame werknemers die hard werkten en nooit klaagden. Besefte je dat je ook uitgebuit werd? Dat je werd gediscrimineerd en bewust dom werd gehouden over jouw rechten. Dat je onderbetaald was? Is dat iets om te vieren? Om trots op te zijn? Of om stil van te worden?

Nu wordt de geschiedenis herschreven. Nu, 50 jaar nadat de eerste Marokkanen kwamen wordt er ons verteld dat jullie werden “verwelkomd” en dat jullie naar België kwamen omdat jullie hard werk “wilden” verrichten. Wat voor welkom kregen jullie? Jullie waren modern vee. Braaf werden jullie gekeurd door de moderne vorm van de blanke slavendrijver. Eenieder die analfabeet was en er een beetje stevig uitzag kon een vergunning krijgen om in België te werken. Mensen die naar school zijn geweest vielen bijna altijd uit de boot –figuurlijk dan. Eigenlijk was het in de huidige context een oneer om “gekozen” te worden.

Vader, ik vertel je dit allemaal omdat ik niet goed weet hoe ik moet omgaan met dat verleden. Ik kan het niet blijven opbergen in een doosje en bij gelegenheden bovenhalen. Moet ik boos zijn? Moet ik boos zijn op al degenen die jullie levensverhaal gebruiken om de geschiedenis goed te praten? Hoe moet ik omgaan met al degene die enkel over de happy moments praten en ons manen om dankbaar en onderdanig te zijn, en met geen woord te reppen over jullie lijden. Over het gemis van het vaderland en de familie. Niets over de mensonterende omstandigheden waaronder jullie vaak werkten. Niets over de bordjes Verboden voor Noord-Afrikanen die tot in de jaren ’80 bestonden. Niets over dat jullie met zeven of acht man een koude kamer deelden. Niets over de ziektes en letsels die jullie hier hebben opgelopen.

Je was een vader, buitengewoon in jouw gewoon-zijn, geen held of pionier, maar een mens van vlees en bloed. Je verdient geen standbeeld, noch verdien je het om verketterd te worden. Sommigen van die dingen vervullen me met trots, anderen weer met teleurstelling. Ik weet niet hoe mijn leven eruit zou zien mocht die kanker jou niet hebben klein gekregen. Zouden we naast elkaar leven in onze twee werelden en amper contact met elkaar hebben, zoals nu in al te veel gezinnen gebeurt?  Of zouden we goede vrienden zijn geweest?

Het is spijtig dat we elkaar nooit hebben gekend. En hoewel ik vaak heb gehoord wat voor een goed persoon jij bent, en mensen me aanspoorden om zoals jij te zijn, zeg ik je nu: Ik wil niet zijn zoals jij. Ik wil geen kopie zijn van een origineel. Ik wil geen karikatuur zijn.

Maar in plaats van een complex wezen ben je nu gereduceerd tot een arbeidskaart, een mooie vakantiekiek en een glaasje muntthee. Een object in een tentoonstelling dat op straat genegeerd kan worden, maar ontdekt kan worden in een exposé. Dus, net zomin ik jou ken, zullen mensen jouw generatie kennen op deze manier. Jullie zijn dus wat wij van jullie hebben gemaakt, een object van onze verbeelding – een generatie waar wij nu paternalistisch over doen door hun verhaal te vertellen terwijl velen van jouw generatiegenoten nog in leven zijn. Papa, je werd tijdens je leven uitgebuit, en het gaat verder na je dood.

Anoniem

Comments

Geef een reactie